Over sociale cohesie en culturele diversiteit

Prof. Guus Extra

Guus Extra, Babylon, Universiteit van Tilburg

Michel Peters, Justitia et Pax, Den Haag

Over sociale cohesie en culturele diversiteit

Mensen willen de vrijheid om hun eigen geloof te beleven en hun eigen taal te spreken, zonder angst voor beschimping, discriminatie of bestraffing. Zij willen participeren in de samenleving zonder afstand te hoeven doen van hun zelfbeleefde culturele identiteit. In de jaren zeventig en tachtig werd daarvoor in ons land aan nieuwkomers de ruimte geboden, vanaf de jaren negentig wordt het in stand houden van culturele identiteit van nieuwkomers meer en meer gezien als bedreiging voor de sociale cohesie en voor de nationale identiteit.

Justitia et Pax keert zich tegen deze tendens en verdedigt in overeenstemming met tal van internationale organisaties de universele waarde van culturele diversiteit. Culturele diversiteit is de pijler onder en de voorwaarde voor menselijke vrijheid. Die vrijheid bestaat erin dat de mens het vermogen heeft tot introspectie, tot het maken van onafhankelijke keuzes. Een individu kan de eigen cultuur aan een kritische blik onderwerpen en er ook uitstappen of elementen eraan toevoegen. Culturele diversiteit verschaft het scala aan opties die een dergelijke keuze mogelijk maken. Als bron van ontwikkeling, uitwisseling, innovatie en creativiteit is culturele diversiteit even noodzakelijk voor de mensheid als biodiversiteit is voor de natuur.

De acceptatie van culturele diversiteit is dan ook geen obstakel voor sociale cohesie en integratie, maar vormt er juist een noodzakelijke voorwaarde voor. Sociale cohesie en integratie zijn processen die hoofd en hart raken. Hoe belangrijk ook, gelijke behandeling voor wet- en regelgeving zijn onvoldoende om sociale cohesie en integratie te garanderen. Beide noties graven een laag dieper en hebben alles te maken met het gevoel in onze samenleving thuis te horen (sense of belonging), om geaccepteerd en gerespecteerd te worden in alle facetten van een persoon. Erkenning van culturele diversiteit, de vrijheid om verschillend te mogen zijn, is recht evenredig met de mate waarin nieuwkomers zich identificeren als burgers van Nederland en daarmee essentieel voor het bereiken van sociale cohesie. De politieke oproep tot insluiting gaat in de praktijk echter meestal gepaard met het taalgebruik van uitsluiting (vgl. het onderscheid tussen ‘Nederlanders’ en ‘allochtonen’ of dat tussen ‘Nederlanders’ en ‘moslims’). Te lang is integratiebeleid gelijk gesteld met achterstandenbeleid voor nieuwkomers. Wij moeten die route verlaten en de nadruk leggen op wat alle inwoners van Nederland (oud en nieuw) positief kunnen bijdragen aan onze veranderende samenleving. Dat vraagt om diversiteitsbeleid.

Beleid dat is gericht op de acceptatie van culturele diversiteit hoeft helemaal niet te resulteren in verzwakking van de zogenaamde nationale identiteit, in fragmentatie en conflict. Het is eerder omgekeerd: de geschiedenis leert dat de veronachtzaming of onderdrukking van culturele minderheidsgroepen juist leidt tot spanningen. Zelfbeleefde meervoudige identiteiten, met inbegrip van meervoudige (trans)nationale identiteiten, zijn aan het begin van deze eeuw van toenemende globalisering en mobiliteit een gegeven. Het is geen kwestie van of-of, maar van en-en. De ene loyaliteit sluit de andere niet uit. Zo kan iemand zich tegelijkertijd Rotterdammer, Nederlander en Kaapverdiaan voelen of Amsterdammer, Nederlander en Europeaan.

Overheidsbeleid in Nederland gaat nog te veel uit van de gedachte dat we op een eiland leven. Het weerspiegelt te weinig de gevolgen van een globaliserende wereld en een voortgaande integratie van Europa. Nederland heeft Europese en mondiale burgers nodig:

* die transnationaal denken en zichzelf niet uitsluitend definiëren vanuit de begrenzing van één natie-staat;

* die beschikken over multiculturele competenties en zich in andere culturen kunnen verplaatsen (empathie);

* die beschikken over multilinguale competenties om aan genoemde eigenschappen vorm te geven.

Deze meervoudige oproep staat centraal in het Europees denken over de constructie van een nieuw Europees burgerschap. Terwijl in Brussel wordt gesproken over een gemeen-schappelijke Europese grondwet, economische samenwerking en harmonisering van wet- en regelgeving op alle mogelijke terreinen, benadrukt Den Haag de nationale identiteit, en de eenzijdige noodzaak om de Nederlandse taal te leren. Op het niveau van de Europese Unie wordt gewaarschuwd voor een vergrijzing van de bevolking en wordt gepleit voor de mogelijkheden om immigratie te verruimen om in de toekomst het voorziene tekort aan arbeidskrachten op te vangen. Nederland ontkent deze problemen: het kabinet smoort de discussie over immigratie door te verklaren dat wij slechts een zeer beperkte groep hoogopgeleide immigranten nodig hebben. Bovendien is opvallend dat het binnenlandse discours van de overheid op het terrein van sociale cohesie en culturele diversiteit tegengesteld is aan haar opstelling en uitspraken op internationaal niveau. Heel duidelijk is dat op het terrein van de UNESCO. Nederland heeft de Universele Verklaring over Culturele Diversiteit uit 1996 ondertekend, waarin aan culturele diversiteit grote waarde wordt toegekend. In eigen land echter legt de regering in woord en daad de nadruk op uniformering en aanpassing van nieuwkomers aan een gefixeerde Nederlandse cultuur. Voorzieningen die gericht zijn op het bewaren van culturele diversiteit worden afgebouwd. In het basisonderwijs is vooral het Onderwijs in Allochtone Levende Talen (OALT) daarvan de dupe geworden.

Meertaligheid en onderwijs in eigen taal

Door processen van migratie en minderheidsvorming ontwikkelt Nederland zich in toenemende mate tot een multiculturele samenleving. Meertaligheid vormt van zo’n samenleving een intrinsieke eigenschap, geen ‘tijdelijk probleem’. Er zijn geen voorbeelden van multiculturele samenlevingen die eentalig zijn. Meertaligheid vormt ook het thema bij uitstek om de verzoenbaarheid van sociale cohesie en culturele diversiteit te begrijpen. Sociale cohesie manifesteert zich in het gebruik van het Nederlands als moedertaal of lingua franca door alle inwoners van Nederland, culturele diversiteit in het gebruik van andere talen dan Nederlands door velen. Meertaligheid is de zichtbare verzoenbaarheid van beide. In het regeeraccoord van 2002 staat dat op school prioriteit moet worden gegeven aan het leren van Nederlands door kinderen. Daar is bijna iedereen het over eens en dat is ook de huidige praktijk. De talen Nederlands en Engels worden nu al door alle leerlingen in het basisonderwijs geleerd. Daarnaast pleiten wij voor onderwijs in een derde taal naar keuze voor alle kinderen. Deze talen worden opgenomen in het differentieel deel van het curriculum en staan zo binnen het reguliere onderwijsaanbod onder toezicht van de onderwijsinspectie. Alle talen krijgen zo een gelijkwaardige plaats en waardering. De uitvoering van het onderwijs in een aantal van deze talen kan door talenscholen worden verzorgd, zoals eerder ook door de Onderwijsraad (2002) is bepleit.

Bij tal van gelegenheden hebben de Ministers van Onderwijs van de Europese Unie verklaard dat onze talenkennis moet worden verbeterd en dat er in het Europa van de toekomst behoefte is aan mensen die drietalig zijn. Talenkennis is van belang gelet op de toename van internationale contacten op allerlei gebieden. De Onderwijsraad sluit hier in haar advies op aan en onderstreept het belang van de uitbreiding van talenonderwijs voor alle leerlingen.

Een toenemend aantal kinderen in Nederland groeit met meer dan één taal op. Door die kinderen de mogelijkheid te geven om deze talen verder te ontwikkelen en ook andere kinderen de mogelijkheid te bieden daarvan kennis op te doen, groeit de talenrijkdom van de Nederlandse maatschappij. Goed talenonderwijs in een groot aantal talen verzilvert de meerwaarde die meertaligheid voor de samenleving als geheel heeft. Voor de kinderen die meertalig opgroeien kan bovendien het verder leren en ontwikkelen van de talen waarmee ze opgroeien van groot individueel belang zijn. Door het volgen van onderwijs in deze talen, met de waardering die daarbij hoort in de vorm van toetsen en cijfers, kunnen kinderen zelfvertrouwen opbouwen: hun meertaligheid is dan een voorsprong, geen achterstand. Schoolprestaties, ook het leren van Nederlands, en de loopbaan-ontwikkeling kunnen in positieve zin beïnvloed worden wanneer kinderen hun eigen taal en cultuur via onderwijs beter hebben leren kennen. In het regeeraccoord van 2002 wordt echter gesteld: ‘Prioriteit moet worden gegeven aan het leren van Nederlands, daarom wordt de regeling OALT afgeschaft’. Aan dit kabinetsvoornemen is met ingang van augustus 2004 uitvoering gegeven.

In een context van migratie en minderheidsvorming wordt de eigen taal door veel minderheidsgroepen opgevat als kernwaarde van culturele identiteit en emancipatie. De (h)erkenning van deze kernwaarde wordt in Nederland mede bemoeilijkt door de omstandigheid dat Nederlanders in den vreemde (met name in dominant Engelstalige immigratielanden) eerder en sneller dan veel andere immigrantengroepen afstand doen van hun eigen taal als kernwaarde van culturele identiteit. De nadruk op Dutch only in recent Nederlands onderwijsbeleid staat op zeer gespannen voet met Artikel 4 van de UN-Verklaring over de Rechten van Minderheden (1992) en met de Artikelen 12.5 en 12.6 van het Actieplan bij de Universele Verklaring over Culturele Verscheidenheid van de Unesco (1996). Bij beide verklaringen is Nederland partij.

Er bestaat in Nederland grote behoefte aan een multicultureel beleidskader waarin onderwijs in andere talen dan Nederlands in een samenhangend longitudinaal perspectief van basisonderwijs en voortgezet onderwijs wordt geplaatst. Individuele variatie in de aard en mate van tweetaligheid bij allochtone kinderen maakt daarbij het scheiden van een ondersteunende en intrinsieke functie van dit onderwijs naar leerstadium en curriculumstatus hoogst problematisch. De acceptatie van Engels als lingua franca van Europa vormt de sleutel voor de acceptatie en diversificatie van het leren en onderwijzen van andere talen naast Engels en naast de nationale talen van de lidstaten van de Europese Unie. Daarmee komt in overeenstemming met herhaalde oproepen van de Europese Commissie de ontwikkeling van drietaligheid van jongsafaan als doelstelling voor alle Europese burgers in zicht.

Praktische uitvoering

Met het leren van een taal kan het beste zo jong mogelijk worden begonnen. Voor een volwaardige plaats van talen op school is onderwijs in de onderbouw en bovenbouw van het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs de beste aanpak. Bovendien kan het talenonderwijs het beste binnen schooltijd gegeven worden. Alle leerlingen kunnen zo vertrouwd worden gemaakt met Nederlands en Engels en met een derde taal naar keuze. Van scholen kan niet verwacht worden dat ze onderwijs kunnen aanbieden in een grote hoeveelheid talen. Bovendien kunnen kleinere of grotere groepen leerlingen belangstelling hebben voor een bepaalde taal. Ondersteuning van de scholen door een lokale talenschool is een goed idee. De talenschool kan een centrum zijn voor expertise en kennisontwikkeling en kan de werkgever zijn van docenten die het talenonderwijs geven. Of de leerlingen naar de talenschool gaan of de docenten naar de leerlingen op de basisschool, kan per gemeente en per taal verschillen. De organisatie moet flexibel zijn. Talenscholen kunnen een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van het onderwijs in de richting van drietaligheid met een grote keuzemogelijkheid voor de derde taal.

Voor alle talen gelden in het Nederlands geformuleerde eindtermen. In deze eindtermen is verwoord wat een leerling aan het eind van de basisschool en bij de afsluiting van het voortgezet onderwijs moet kunnen. Deze eindtermen gelden voor alle leerlingen. Onderwijs in de Nederlandse en de Engelse taal is een onderdeel van het kerncurriculum. Voor alle leerlingen gelden hier dezelfde eindtermen, die indien nodig via verschillende leerroutes worden bereikt. Door het onderbrengen van de andere talen in het differentieel deel van het curriculum worden problemen als financiering en kwaliteitszorg voorkomen. Als uitvoeringsorganisaties kunnen talenscholen worden gesticht, waarbij uiteraard aan kwaliteitseisen moet worden voldaan. Gemeenten en ouders kunnen gezamenlijk middelen in deze talenscholen steken: de talenscholen moeten worden gehuisvest, leermiddelen moeten centraal ontwikkeld worden en er moeten docenten komen die naar behoren worden opgeleid en betaald.