De omgang met meertaligheid

Prof. Guus Extra

New Page 1

 

 

De omgang met meertaligheid

 

Guus Extra

Babylon, Centrum voor Studies van de Multiculturele Samenleving

Universiteit van Tilburg, www.uvt.nl/babylon

 

 

 

Samenvatting

 

In deze tekst wordt een vierluik gepresenteerd over de omgang met meertaligheid vanuit een Nederlands en internationaal perspectief. In deel 1 wordt ingegaan op een aantal centrale concepten in de tekst, in het bijzonder op de relaties tussen taal, identiteit en nationaliteit. Deel 2 richt zich op de vitaliteit van minderheidstalen in Nederland en Europa, in het bijzonder op de vitaliteit van het Turks in een context van migratie en minderheidsvorming. In deel 3 worden recente initiatieven besproken ter bevordering van meertaligheid in multicultureel Europa. Geïnspireerd door buitenlandse ervaringen wordt in deel 4 ten slotte een model geschetst van meertalig basisonderwijs in Nederland voor alle leerlingen.

 

 

1.   Taal, identiteit en nationaliteit

 

Bij een bespreking van het thema “taal en identiteit” is het op voorhand van belang om erop te wijzen dat de literatuur over dit thema meer gekenmerkt wordt door waardengeladen normatieve retoriek dan door niet-gepassioneerde beschouwingen. Onder meer Edwards (1985) heeft nadrukkelijk een pleidooi gehouden voor de tweede in plaats van de eerste benadering. Het begrip “identiteit” is nauw verweven met de begrippen “etniciteit” en “nationalisme”. Vaak wordt ook gesproken van “etnische identiteit” en “nationale identiteit”. Het begrip “etnische identiteit” verwijst vaak naar de identiteit van etnische minderheids­groepen in een natie-staat en benadrukt daarbij het anders-zijn in vergelijking met de meerderheid van inwoners. Anderzijds maken alle inwoners van een natie-staat deel uit van een etnische groep, hoewel meerderheidsgroepen zichzelf zelden als zodanig definiëren. In feite vormt het Griekse woord ethnos echter een verwijzing naar “natie”. Voor een uitvoerige bespreking van de begrippen “natie”, “nationaliteit” en “nationalisme” wordt verwezen naar Fishman (1989: 105-175).

      Het onderwerp wordt verder gecompliceerd door het naast elkaar bestaan van de begrippen “nationale minderheid” en “etnische minderheid”. Meestal wordt daarbij gedoeld op respectievelijk autochtone en allochtone minderheidsgroepen die gebruik maken van respectievelijk autochtone en allochtone minderheidstalen. Door intergenerationele processen van taalverschuiving kan de communicatieve waarde van autochtone en allochtone minderheidstalen gereduceerd worden of zelfs verloren gaan (vgl. respectievelijk de status van het Fries in Nederland of die van het Nederlands in Australië). Ook al kunnen deze talen hun communicatieve waarde deels verliezen, dan nog kunnen deze talen een belangrijke symbolische waarde binnen autochtone en allochtone minderheidsgroepen behouden. Terwijl meerderheidstalen in een natie-staat groepsgrenzen naar buiten markeren, markeren autochtone en allochtone minder­heidstalen in een natie-staat groepsgrenzen naar binnen. Ofschoon de begrippen “nationaliteit” en “etniciteit” beide gestoeld zijn op groeps-verbondenheid, is het verschil tussen beide er allereerst een van schaalgrootte.

De begrippen “etniciteit” en “etnische identiteit” duiken pas op als concepten in de sociale wetenschappen in de jaren zestig van de 20e eeuw en hebben een complexe lading (zie ook Verkuyten 1999). Ze kunnen verwijzen naar objectieve en/of subjectieve eigenschappen van meerderheids- en minderheidsgroepen in termen van een gedeelde herkomst, taal, religie, cultuur, geschiedenis, af­stam­ming (ancestry) of ras. In alle gevallen wordt echter gedoeld op feitelijke (objectieve) of veronder­stelde (subjectieve) groepskenmerken. De begrippen “taal” en “etniciteit” zijn zo nauw met elkaar verbonden dat in de meest definities van “etniciteit” het begrip “taal” als deelcomponent optreedt. Voor Fishman (1977) vormt taal zelfs het meest karakteristieke kenmerk van etnische identiteit. Voor sommige etnische minderheidsgroepen vormt taal echter in sterkere mate een kernwaarde van hun identiteit dan voor andere groepen (Smolicz 1980, 1992). Edwards (1985: 10) komt na een uitvoerige analyse van definities van “etnische identiteit” in een reeks van studies tot de volgende operationalisering:

Ethnic identity is allegiance to a group - large or small, socially dominant or subordinate - with which one has ancestral links. There is no necessity for a continuation, over generations, of the same socialisation or cultural patterns, but some sense of a group boundary must persist. This can be sustained by shared objective characteristics (language, religion, etc.), or by more subjective contributions to a sense of “groupness”, or by some combination of both. Symbolic or subjective attachments must relate, at however distant a remove, to an observably real past.

Het is onmogelijk om over etnische identiteit te spreken zonder verwijzing naar andere etnische identiteiten of naar nationale identiteit. De gelijkstelling van “taal” en “nationale identiteit” berust echter op een ontkenning van het bestaan van meerderheids- en minderheidstalen binnen de grenzen van elke natie-staat en vindt zijn wortels vooral in de Duitse Romantiek van het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw (zie Fishman 1989: 105-175, 270-287 en Edwards 1985: 23-27 voor een historisch overzicht). De gelijkstelling van Duits en Duitsland vormde een reactie op het rationalisme van de Verlichting en was mede gebaseerd op anti-Franse-sentimenten. De term “nationalisme” verschijnt voor het eerst aan het eind van de 18e eeuw, de term “nationaliteit” pas honderd jaar later. Romantische filosofen als Johann Gottfried Herder en Wilhelm van Humboldt legden de grondslag voor de opkomst van een taalnationalisme in Duitsland, waarbij de Duitse taal en natie superieur werden geacht boven de Franse. De Fransen lieten zich echter niet onbetuigd in het uitdrukken van hun gevoel voor het omgekeerde. Ofschoon elke natie gekenmerkt wordt door heterogeniteit, met inbegrip van talige heterogeniteit, hebben nationalistische bewegingen zich in hun gelijkstelling van taal en natie altijd beroepen op dit klassieke Europese discours.

Ook de Verenigde Staten zijn voor dit nationalisme niet immuun gebleven. De English-only beweging in de VS (US English) werd in 1983 opgericht uit vrees voor het groeiend aantal Hispanics op Amerikaanse bodem (Fishman 1988). Deze organisatie heeft zich van meetaf aan verzet tegen tweetalig onderwijs Spaans-Engels, omdat dat zou leiden tot identity confusion en heeft tal van - vooralsnog vergeefse - pogingen ondernomen om de aanwijzing van Engels als de officiële taal van de VS een grondwettelijke basis te geven. De vooronderstelling hierbij was dat andere talen (in het bijzonder Spaans) de grondslagen van de natie-staat zouden ondermijnen. Dit nationalisme vond zijn voedings­bodem in een blanke protestantse Engelstalige elite (Edwards 1994: 177-178).

De relatie tussen taal en identiteit is geen statisch, maar een dynamisch gegeven dat vooral in de laatste decennia van de 20e eeuw aan sterke transnationale veranderingen onderhevig is geraakt. Deze veranderingen doen zich in Europa voor in drie verschillende arena’s (Oakes 2001):

§       in de nationale arena’s van de lidstaten van de Europese Unie (voortaan EU) staat de traditionele identiteit van de natie-staat ter discussie ten gevolge van grootschalige processen van migratie en minderheidsvorming;

§       in de Europese arena ontwikkelt zich door processen van samenwerking en voortschrijdende integratie het concept van een Europese identiteit;

§       in de mondiale arena doen zich processen voor van globalisering waardoor de wereld steeds kleiner wordt; door een voortschrijdende informatie- en communicatietechnologie verlopen communicatie­processen bovendien steeds sneller.

Veranderingen in deze drie arena’s hebben geleid tot de ontwikkeling van het concept van een trans­nationaal burgerschap en van een transnationale meervoudige identiteit. Inwoners van Europa identificeren zich in toenemende mate niet langer met een enkele natie-staat, maar geven steeds meer blijk van een meervoudige toerekening. De notie van een Europese identiteit werd voor het eerst door de EU verwoord in de Declaration on European Identity van december 1973 in Kopenhagen. Sinds­dien hebben tal van supranationale instituties dit idee gepropageerd en bevorderd. De invoering van een Europese munteenheid in 2002 heeft aan dit idee vooralsnog de meest tastbare bijdrage geleverd. In een bespreking van het begrip “Europese identiteit” wijst Oakes (2001: 127-131) erop dat de erken­ning van meervoudige identiteiten een voorwaarde in plaats van een belemmering vormt voor de acceptatie van een Europese identiteit. De erkenning van meervoudige identiteiten is niet alleen relevant voor de traditionele inwoners van de lid-staten van de EU, maar ook voor nieuwkomers in Europa. Recent onderzoek van Phales & Swyngedouw (2002) onder de Turkse en Marokkaanse gemeenschap in Brussel leidt bijvoorbeeld tot de volgende conlusies:

While Turks and Moroccans share with Belgians a social-contract type of citizenship in Belgium, they also adhere to a communal type of lang-distance citizenship in Turkey and Morocco, which centres on a close linkage of national and religious attachments. We conclude that multiplicity is a key feature of minority perspectives on citizenship, which combine active participation in the national context of residence with enduring ethno-religious identification in the national context of origin.

Een transnationale, meervoudige identiteit en toerekening vragen om nieuwe competenties van inwoners van Europa in de 21e eeuw. Tot die nieuwe competenties behoort allereerst het vermogen om met toenemende diversiteit en heterogeniteit om te gaan (Van Londen & De Ruijter, 1999). Meertaligheid kan in deze context als kerncompetentie worden beschouwd. Vanuit deze optiek kunnen immigranten in Europa eerder als rolmodellen dan als achterstandsgroepen worden beschouwd.

In de publieke beeldvorming over allochtone minderheidsgroepen in Nederland en in een wijdere Europese context worden de begrippen buitenlanders en integratie sterk benadrukt (zie Extra & Verhoeven 1998). Naar allochtone minderheidsgroepen wordt allereerst vaak verwezen in termen van buitenlanders/foreigners/étrangers/Ausländer, ook in die gevallen waarin zij beschikken over de nationaliteit van het land waarin zij wonen. In het jargon van de EU wordt voorts gesproken over allochtone talen in termen van non-territorial, non-regional, non-historical, non-indigenous of non-European languages. De publieke oproep tot integratie is in opmerkelijk contrast met de taal van uitsluiting. Deze conceptuele uitsluiting is in hoge mate terug te voeren op een historisch nationa­liteitsbesef dat op bloed­verwantschap is gebaseerd. Dit besef vindt zijn wettelijke grondslag in het jus sanguinis (“recht van het bloed”). In landen met een langer immigratieverleden, in het bijzonder dominant Engelstalige immi­gratielanden als de Verenigde Staten, Canada, Zuid-Afrika en Australië, is het nationa­liteits­besef gebaseerd op het geboorteland en op het daarmee verbonden jus soli (“recht van de grond”). Toen Europeanen in het verleden hun continent van oorsprong ver­lieten en andere continenten koloniseerden, legitimeerden zij hun nationaliteits­aanspraken (en vooral die van hun na­komelingen) door de opname van het jus soli in de constituties van de landen waarin ze zich vestigden. Bij deze grondwetbepalingen vond geen consultatie plaats van de oor­spronkelijke inwoners, zoals Indianen, Inuït, Zulu’s of Aboriginals in genoemde landen. Ondanks een toename van processen van immigratie en minderheids­vorming hielden Europeanen op hun continent van oorsprong tegelijkertijd echter meestal vast aan het jus sanguinis. In beide contexten handelden zij daarmee vooral uit verondersteld eigen belang. Met dit verschillend nationaliteitsbesef zijn eerder genoemde kwalificaties onlosmakelijk ver­bonden. In de Verenigde Staten vormt een verwijzing naar Amerikanen een overkoepelen­de aan­duiding van onderscheiden etnisch-culturele groepen zoals Anglo-Americans, Afro-Americans en Latin-Americans of Hispanics, terwijl met de kwalificatie foreigners wordt verwezen naar buiten­landse passanten zoals toeristen.

Een tweede hoofdkenmerk van de publieke beeldvorming over allochtone minderheids­groepen vormt de nadruk op integratie. Deze notie is populair vanwege zijn vaagheid en kan in feite verwijzen naar een heel spectrum van onderliggende concepten die variëren naar plaats en tijd (zie Kruyt & Niessen 1997 voor een comparatieve studie in vijf EU-landen sinds het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw). De uitersten van het spectrum bewegen zich tussen assimilatie en multiculturalis­me. Het assimilatie-concept is gebaseerd op de premisse dat culturele verschillen tussen allochtone minderheidsgroepen en de autochtone meerderheid in de loop van de tijd moeten en zullen verdwijnen in een samenleving die ideaal-typisch als cultureel homogeen wordt opgevat. Aan de andere zijde van het spectrum is het multiculturalisme-concept gebaseerd op de premisse dat genoemde culturele verschillen een aanwinst zijn voor een pluralistische samenleving die culturele verscheidenheid beziet in termen van nieuwe bronnen en kansen. Terwijl vanuit het assimilatie-concept de nadruk ligt op unilaterale taken voor nieuwkomers, ligt vanuit het multiculturalisme-concept de nadruk op multi­laterale taken voor alle inwoners in een sterk veranderende samenleving (zie ook Cohn-Bendit & Schmid 1992). In de praktijk stelt de gevestigde autochtone meerderheid vaak hoge eisen aan alloch­tone minderheidsgroepen in termen van assimilatie en is zij gewoon­lijk zeer terughoudend in de bevordering of zelfs de acceptatie van culturele diversiteit als kenmerk van een toenemend multiculturele omgeving.

      Het is interessant om de onderliggende assumpties van integratie in de publieke beeld­vorming over allochtone minderheidsgroepen op nationaal niveau te vergelijken met assump­ties op het niveau van Europese samenwerking en regelgeving. Op Europees niveau bena­drukken politici het belang van een goede balans tussen verlies en behoud van “nationale” normen en waarden. Een hoofdzorg in het publieke debat over zulke normen en waarden is culturele en linguïstische verscheidenheid in termen van zowel nationale als regionale talen (zie het Europees Handvest voor Regionale of Minderheids­talen). In deze context worden nationale en regionale talen vaak aangeduid als kernwaarden van culturele identiteit. Het is een paradoxaal verschijnsel dat in hetzelfde publieke debat allochtone minderheidstalen en ‑culturen gewoonlijk beschouwd worden als bronnen van achterstand en pro­blemen en als obstakels voor integratie, terwijl nationale en regionale talen en culturen in een ver­anderende en zich uitbreidende EU worden opgevat als bronnen van verrijking en als randvoor­waarden voor Europese integratie.

 

 

2.   De vitaliteit van minderheidstalen in Nederland en Europa

 

Taaldiversiteit komt in de EU zowel binnen als tussen de lidstaten voor. Tussen de lidstaten is sprake van ver­schil­lende nationale talen en binnen de lidstaten van zowel autochtone als allochtone minderheids­talen. Op beide niveaus doen zich processen van divergentie voor in het bestaande spectrum van talen. Door uitbreiding van de EU neemt het aantal nationale talen binnen de EU sterk toe. Op transnationaal niveau doen zich tegelijkertijd processen van convergentie voor doordat het Engels zich heeft losgemaakt uit het traditioneel gelijkberechtigde spectrum van nationale EU-talen en zich steeds meer ontwikkelt tot lingua franca van internationale communicatie (Oakes 2001: 131-136, 149-154). Dit gaat ten koste van de status van alle andere nationale talen van de lidstaten van de EU, inclusief het Frans. Ondanks vaak geopperde bezwaren tegen de hegemonie van het Engels (Phillipson 2003), wordt dit proces van convergentie door de oostwaarts gerichte uitbreiding van de EU alleen maar versterkt.

      Binnen elk van de lidstaten van de EU is traditioneel sprake van autochtone of regionale minderheidstalen wier bestaansrecht gedoogd of voluit erkend wordt. Op 1 maart 1998 is het Europees Handvest voor Regionale of Minderheidstalen in werking getreden (zie www.coe.int). Dit Handvest is in 1992 door de Raad van Europa opgesteld en inmiddels geratificeerd door een groeiend aantal lidstaten. Het Handvest is bedoeld ter bescherming en bevordering van autochtone minderheidstalen en functioneert als internationaal instrument voor de vergelijking van wettelijke maatregelen en andere voorzieningen die de lidstaten treffen voor deze talen. Daarnaast is binnen elk van de lidstaten sprake van processen van divergentie door de opkomst van allochtone minderheidstalen ten gevolge van internationale migratie en intergenerationele minderheidsvorming (Extra & Yağmur 2003). Immigranten-talen zijn vooralsnog nauwe­lijks onderwerp van positieve actie op Europees niveau, afgezien van de inmiddels sterk gedateerde richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen over onderwijs aan immi­grantenkinderen (Directive 77/148 d.d. 25 juli 1977). Immigrantentalen zijn ook expliciet uitgesloten van eerder genoemd Europees Handvest (Extra & Gorter 2001).

      Autochtone en allochtone minderheidstalen vormen in elke lidstaat van de EU bronnen van respectievelijk oude en nieuwe taalvariatie. Dit kan goed gedemonstreerd worden in de Nederlandse context. De Vries e.a. (1994: 171) geven een globaal beeld van zowel de distributie als het gebruik van regionale talen/dialecten in Nederland. Daaruit komt naar voren dat regionale talen/dialecten zich vooral manifesteren buiten de Randstad. Deze talen leiden een vitaler bestaan dan vaak wordt gedacht, in termen van communicatieve functies en/of in termen van symbolische waarde. In stedelijke gebieden, met name in de vier grote steden binnen de Randstad, doet zich tegelijkertijd een sterke diversificatie van allochtone thuistalen voor. In Den Haag werden in 1999 bij bijna de helft van de basisscholieren thuis naast of in plaats van Nederlands één of meer allochtone talen gesproken (Extra e.a. 2001) en dit aandeel is sindsdien alleen maar toegenomen. Het bewustzijn van de diversiteit en vitaliteit van deze andere talen van Nederland is vooralsnog beperkt. Op basis van uitgevoerde taalpeilingen onder bijna 100.000 basisscholieren in 12 Nederlandse gemeenten bieden Extra e.a. (2002) een overzicht van de vitaliteit van 23 taalgroepen op basis van de volgende vier gerapporteerde taaldimensies:

§       taalvaardigheid: de mate waarin de desbetreffende taal wordt verstaan;

§       taalkeuze: de mate waarin de desbetreffende taal meestal dan wel even vaak als Neder­lands wordt gebruikt met de moeder;

§       taaldominantie: de mate waarin de desbetreffende taal het beste dan wel even goed als Nederlands wordt gesproken;

§       taalpreferentie: de mate waarin de desbetreffende taal het liefste dan wel even graag als Nederlands wordt gesproken.

Bij de operationalisering van de eerste en tweede dimensie (respectievelijk taalvaardigheid en taal­keuze) is gestreefd naar een maximaal bereik. In het verlengde van deze analyses is op basis van genoemde vier dimensies een cumulatieve taalvitaliteitsindex (TVI) geconstrueerd voor de onder­zochte talen. Deze TVI is gebaseerd op de gemiddelde waarden van de gepre­senteerde scores voor elk van de vier taaldimensies. Het gaat bij deze TVI per definitie om een arbitraire index, waarbij gekozen dimensies met gekozen operationaliseringen gelijk worden gewogen. In Tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de uitkomsten van de analyses voor de top-23 van taalgroepen bij leerlingen van 4-13 jaar in het basisonderwijs in alle 12 deelnemende gemeenten samen, met inbegrip van de uitkomsten voor het Fries en Maastrichts in respectievelijk Leeuwarden en Maastricht.

 


 

Taalgroep

Taal­-vaardigheid

Taal-

­keuze

Taal­dominantie

Taal-

­preferentie

TVI

Maastrichts

95

83

74

74

81

Turks

97

86

55

48

71

Dari/Pashto

89

88

59

48

71

Somalisch

93

88

47

47

69

Farsi

92

81

50

50

68

Urdu/Pakistaans

93

76

44

49

66

Berbers

94

79

42

41

64

Chinees

90

78

44

39

63

Serv./Kroat./Bosn.

90

72

37

43

60

Arabisch

90